Ik zou ook kunnen spreken over problemen die wij gemeenschappelijk hebben. Over telkens weer oplaaiende etnische conflicten bijvoorbeeld. De verdeeldheid van Cyprus typeert de Europese onmacht op dit gebied. Al in geen honderd jaar zijn wij Europeanen erin geslaagd een etnisch conflict te beëindigen zonder inmenging van buitenaf. Ja, wij willen graag een helpende hand toesteken in Soedan, maar de beschamende opdeling van Joegoslavië geeft ons weinig recht van spreken. Een verzoeningscommissie is duidelijk geen Europese vinding. Maar ook hier zal ik niet bij stilstaan.
Liever spreek ik over een probleem waarvan je zou kunnen zeggen dat wij Europeanen daar part noch deel aan hebben. Een probleem dat ons niet raakt. Een probleem waarvan je zou kunnen zeggen dat ook de meeste van de 53 Afrikaanse landen hier bijeen er geheel buiten staan. Maar zo gemakkelijk laat ik u er niet vanaf komen. Nee, ik zeg u hier dat de mensenrechtensituatie in Zimbabwe schadelijk is voor heel Afrika. Ook al weet ik dat dat onzin is. Ook al weet ik dat ik u daarmee allemaal voor het hoofd stoot. Dus ook al weet ik dat ik zo louter afbreuk doe aan de het doel van deze bijeenkomst: de verbetering van de betrekkingen tussen Europa en Afrika.
Want, geachte regeringsleiders, deze woorden mogen zijn gericht aan u, toch bent u niet mijn publiek. Uw reactie zal mij werkelijk een rotzorg zijn. U bent een stelletje corrupte armoedzaaiers dat blij mag zijn met elke euro ontwikkelingshulp die u van ons ontvangt. Nee, mijn publiek wordt gevormd door de verwaande Europeanen thuis die deze woorden vernemen via de krantenkoppen. Zij zijn mijn doelgroep. Zij hebben mij gekozen als hun leider en moeten dat straks opnieuw doen. En zij verlangen dat mijn woorden vandaag als zweepslagen neerstriemen op uw ruggen. Daarom, mijn beste Afrikanen, ontkleed uw bovenlijf en kerm.