| De voorzitter van de denktank omgevingsverkenning, GW-decaan Hubert Coonen. |
De opdracht luidde: leg vast hoe de buitenwereld aankijkt tegen de UT. Er werden het afgelopen jaar tientallen gesprekken gevoerd met UT-watchers, externe deskundigen en alumni. Daaruit bleek dat `men' toch wat anders aankijkt tegen deze universiteit dan de mensen die er werken. Het profiel van de UT is onduidelijk, onopvallend, niet onderscheidend en te algemeen. Wil de UT toponderzoek blijven doen, dan moeten de onderzoeksinstituten hun krachten bundelen. De kwaliteit van het UT-onderwijs moet daarbij omhoog, samenwerking met sterke partners is van groot belang. De UT moet daarom eerst met bekwame spoed haar strategie voor de komende jaren vaststellen en daar de organisatie op inrichten. Dat is de boodschap van de denktank.
Coonen c.s. maakt uitdrukkelijk zelf geen keuzes, maar verzamelde en analyseerde de ingewonnen kritiek en commentaren. Dat betekent niet dat de leden van de commissie geen visie op de toekomst van de UT zouden hebben, integendeel.
`We hebben ons slechts aan de opdracht gehouden,' aldus voorzitter Hubert Coonen, die met collega Dave Blank namens de commissie (waarin verder zittting hadden de hoogleraren Hartel, Van Swaaij en Wouters) zeer wel bereid is een toelichting te geven op hun rapportage.
Welke kant gaan we op?
`Allereerst, we moeten met z'n allen niet blijven hangen in de retoriek van de twee kernen: techniek en maatschappij. Dat doen we al vanaf de start van deze instelling en daar komen we niet verder mee. Laten we afrekenen met het begrip kernen. De omgeving vraagt om een sterk profiel, niet om kernen. '
En hoe zou dat profiel er uit moeten zien? Groot, breed, klein?
`We onderscheiden de driehoek technologie, gedrag en gezondheid. Die wetenschapsgebieden zijn voor de UT vaste waarden, die belangrijk zijn voor de toekomst. Ze horen bij elkaar, versterken elkaar. De UT moet groeien naar een model waarin die drie vaste waarden volledig met elkaar samensmelten, maar wel vanuit het perspectief van een technische universiteit. De wetenschappers moeten dus niet op een van die drie vertrouwde punten blijven zitten, maar bereid zijn daarvan los te komen, samen te werken met de andere punten. Dat proces moet stevig geactiveerd worden, wil je het gewenste duidelijke profiel ontwikkelen. Dus: eerst de strategie en dan de structuur. Niet andersom.'
De bachelorfase -de onderkant- mag wat hen betreft breed worden opgezet, eventueel in combinatie met een instituut als Saxion Hogescholen. Daarboven komt dan een specialistische, excellente graduateschool met daarin de master, het promotietraject en al het onderzoek. `In deze fase moet de UT op Europees niveau gaan meedoen.' Er dient, vinden ze ook, een nieuwe visie te worden ontwikkeld op de masteropleiding en het promotietraject. `Je zou al veel winnen door masterstudenten als een soort junior-researcher te schouwen. Het personeelsbeleid moet er op gericht zijn wetenschappelijk talent aan te trekken en goed perspectief te bieden. Daar ontbreekt het nu aan.'
Ze stellen vast dat de brede bacheloropleidingen voorzien in een regionale behoefte. `We hebben een prachtig minorensysteem, dat heel goed past in de driehoek. De gehele infrastructuur voor de studenten met al zijn high tech voorzieningen moet een unique selling point worden.' Sterker nog, Coonen en Blank zien een beeld voor zich waarin de UT niet meer werft op disciplines, maar op haar merk.
De UT mag zich verder ook best afvragen of de faculteiten in hun huidige vorm moeten blijven bestaan. Misschien zijn er wel slimmere constructies denkbaar ter ondersteuning van het nieuwe profiel, oordelen ze. Dat geldt ook voor de onderzoeksinstituten, zonder dat je hun merk nu meteen overboord hoeft te zetten. `Het is, denken we, niet haalbaar om op zes verschillende wetenschapsgebieden tot de Europese top te gaan behoren, maar met een slimme bundeling kan dat wellicht wel.' Veel verwacht de denktank van het vernieuwde gebouw Langezijds, met zijn uitstraling op wetenschap, bedrijfsleven en regio.
Hoe nu verder?
`Wat ons betreft komt de senaat ieder kwartaal bij elkaar om het draagvlak onder de hoogleraren te vergroten en commitment te realiseren. We merken dat de ontvankelijkheid voor het maken van keuzes ten behoeve van een nieuw profiel groot is. Een discussie in brede lagen van deze instelling zoals het CvB zich voorstelt is prima, maar laten we het tempo er vooral wel inhouden. We denken meer in termen van weken dan in maanden. De materie is zeker niet complex en veel alternatieven zijn er niet.'