Vorige week was het weer raak. Het nieuws betrof de vale gier. Zo'n doodsaai onderwerp waar alleen een enkele vogelaar interesse voor heeft. Maar ik trof Martijn de Jonge. Een schitterende mafketel. Hij ziet ze vliegen, en daar heeft ie zijn beroep van gemaakt. `Als er twintig vale gieren boven de zandbak cirkelen, zou ik mijn kind maar binnenhalen. Een schaap kost ze een half uur, maar een peuter is in tien minuten weg.'
Zo'n uitspraak houdt onze kijkers aan de buis gekluisterd. Daar wordt over gesproken. Onze gierdeskundige heeft geen bal verstand van vogels, maar hij treedt perfect in de voetsporen van de gebroeders Grimm. Die schreven hun sprookjes ook voor een volwassen publiek. Fictie verkoopt nu eenmaal beter dan non-fictie. Mensen horen het liefst wat ze het meeste vrezen. Het is onze taak als televisiemakers om dat te brengen.
Dus als er ergens vogelgriep uitbreekt, dan zoek ik een deskundige die beweert dat dit het begin is van een pandemie waar miljoenen, of liever miljarden, mensen aan zullen overlijden. Als een kind verdwijnt of wordt vermoord, zoek ik een getuige die insinueert dat hier een kinderverkrachter aan het werk is. Bij voorkeur met een verwijzing naar Dutroux. En als onze soldaten gevangenen bewaren, dan rust ik niet tot ik iemand voor de camera heb die rept van martelpraktijken.
Zojuist hebben de Europese ministers een akkoord bereikt over de toekomst van de EU. Ik denk dat dit de best mogelijke uitkomst voor Nederland is, maar dat is een ingewikkeld verhaal dat onze kijkers niet zal boeien. Daarom voer ik Wilders weer ten tonele. Die herkent tenminste in elke Europeaan de vale gier van Martijn de Jonge. En in elke geiteneter de boze wolf.