Ken uw columnist!

| Redactie

Tijdens Poetry International stapten twee UT-studenten op dagvoorzitter Harold de Boer af. 'Zeg eens, jij schrijft toch niet toevallig die columns achterop UT-nieuws hè?' Toevallig wel, en op de kop af tien jaar. Wie is Harold de Boer? Het bevalt hem eigenlijk wel, de afstand. Qua kilometers: Harold de Boer schrijft zijn UT-Nieuwscolumns in een Rotterdams café. Qua onderwerp: Harold de Boer bemoei

Tijdens Poetry International stapten twee UT-studenten op dagvoorzitter Harold de Boer af. 'Zeg eens, jij schrijft toch niet toevallig die columns achterop UT-nieuws hè?' Toevallig wel, en op de kop af tien jaar. Wie is Harold de Boer?

Het bevalt hem eigenlijk wel, de afstand. Qua kilometers: Harold de Boer schrijft zijn UT-Nieuwscolumns in een Rotterdams café. Qua onderwerp: Harold de Boer bemoeit zich als enige niet met universiteitszaken. Qua lezerscontact: Harold de Boer krijgt nooit feedback, of het moet een ingezonden brief zijn.

Onbekend maakt onbemind, heet het, maar volgens De Boer werkt dat bij een columnist anders. Die ís zijn stukje. 'En wie daar achter schuilt doet er toch niet toe?', vraagt hij retorisch. De dertiger met het korte, rosse baardje verheft zijn stem iets, want het café is rumoerig. Op zondagochtend heeft hij daar nooit last van. Dan schrijft hij hier, tussen negen en elf, aan dit tafeltje, zijn column. Al tien jaar lang.

'Mijn leven is voor geen enkele lezer interessant', vervolgt hij zonder een spoor van valse bescheidenheid. Toch gebruikt juist Harold de Boer als enige auteur in dit universiteitsblad geregeld het persoonlijk voornaamwoord 'ik'. Een 'ik' die graag van gedaante wisselt: vorige week behoorde hij nog tot de slachtoffers van de Volendammer cafébrand, deze week haalt hij zijn zoontje van kinderdagverblijf de Honki Ponk.

Hoe dat zit, wil De Boer wel uitleggen. 'Ik ben ooit begonnen in de Libellestijl', zegt hij met een glimlach. 'In 1990 ging ik op afstudeerstage in Rotterdam. Bert Groenman vroeg mij om wekelijks mijn bevindingen op

schrift te stellen. De 'ik' in die stukjes, dat was ik zelf. Herkenbare tafereeltjes op de werkvloer, dagboekachtig, net als in een damesblad.'

Die eerste columns heetten 'De laatste loodjes'. Toen ze erop zaten, die loodjes, en de Boer geen TW-student meer was, vroeg de redactie hem het jaar vol te maken. De wekelijkse bijdrage werd omgedoopt tot 'Uit het lood'. 'Sindsdien heb ik het karakter van de stukjes langzaamaan veranderd. Met mijn dagelijkse belevenissen kon ik niemand meer vermoeien, ik moest wat anders.'

Inmiddels schrijft De Boer stekelige miniatuurtjes die de actualiteit op de voet volgen. De persoonlijke anekdotiek heeft jaren geleden plaats moeten maken voor het satirische gedachtenexperiment. De Boer spuit geen meningen, maar probeert de mening van zijn lezer te kantelen. Vrijwel al zijn columns ondergraven de communis opinio van dat moment.

Daarvoor kruipt hij vaak in de huid van iemand anders. 'Je kunt wel van buitenaf een vrachtwagenchauffeur schilderen die Chinezen naar Engeland smokkelt, maar aardiger is het om die man zelf te laten nadenken.' In een zin die Harold de Boer met 'ik' begint, kan iedereen het woord nemen, behalve hijzelf. 'Die vorm ligt me toevallig goed. Het zijn verkleedpartijtjes.'

Wrikken aan vastgeroeste meningen vindt hij 'prettig'. 'Ik verplicht

mezelf dieper na te denken over wat er om ons heen gebeurd. Meestal kies ik maatschappelijke, ethische kwesties. Het moet ergens over gáán. Toen ik klein was mocht ik de dominee graag horen preken, hij zette de zaken in een nieuw licht. Misschien zijn mijn columns verkapte preekjes.'

Hij herinnert zich stukje over het geval Diekstra. 'Eerst had de arme vent geplagieerd, het was een schande. Toen riepen ze dat hij er, nog schandaliger, hier en daar dingen had bij verzonnen. Tenslotte gingen er stemmen op dat hij alles uit zijn duim had gezogen. Maar als dát waar is, hebik toen geschreven, dan hebben we niet meer met plagiaat te maken.'

Het is maandagmiddag. Het toeval wil dat De Boers kroeg gisterenochtend voor het eerst in al die jaren gesloten was. 'Ik stond voor een dichte deur, heel vreemd.' De columnist die meer regelmaat vertoont dan zijn eigen stamcafé. De Boer: 'Wil je iets volhouden, zorg dan voor een vast ritueel.'

Zo volgt hij elke week drie media-items. 'Daarover lees ik zoveel mogelijk. Pas zondagochtend in het café kies ik voor één van de drie. Dan schrijf ik met de hand een eerste versie. Ik fiets naar huis. Tijdens het intypen scherp ik 'm aan. 's Avonds herlees ik 'm op papier. Ook dan gooi ik meestal nog wat om. Maar voor het slapen gaan gaat-ie de deur uit.'

Want 's ochtends moet Harold de Boer naar z'n werk. De ex-UT-student is mededirecteur van Transtrend, een vermogensbeheerder die zich richt op termijn- en optiemarkten. Doordeweeks modellen, cijfertjes en beurskoersen, 's weekends de taal. Behalve zijn columns, schrijft De Boer zo nu en dan een gedicht. Ook presenteert hij wel eens een literair festival.

Directeur, wiskundige, poëet, columnist. Wil de echte Harold de Boer opstaan? Hij lacht ongemakkelijk. 'Ik ben geen van allen. Ik voel me plattelander, maar woon in Rotterdam - dat is een beetje mijn verhaal.' Even is het stil. Dan: 'Morgen ga ik schaatsen. Ik voel me thuis op een dichtgevroren vaart waar nog niemand die winter is geweest. En elke ziel die ik dan tegenkom is mijn vriend.'

Harold de Boer
Harold de Boer

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.