Ik verwacht niet dat het college een minuut minder zal slapen van de memo. Ook met de regenteske bestuursstijl die het de afgelopen jaren heeft gehanteerd, trof het college in de UR misschien geen constructieve maar in ieder geval toch een zeer coöperatieve
'gesprekspartner' (of moet ik zeggen boksbal). De ambitieuze en soms overhaaste plannen van het college werden doorgaans zonder morren langs ons medezeggenschapsorgaan gedrukt. Als er al sprake was van enig kritisch geluid van de kant van de UR, dan ging dit vaak over procedurele punten.
Saillant is dan ook dat de Universiteitsraad in zijn memo het voorbeeld van major-minor en bachelor-master aanhaalt. Juist bij dit punt heeft de raad laten zien dat zo er al sprake is van een UR-
benadering, deze eerder de titel 'vinger in de neus' dan 'vinger aan de pols' verdient. De plannen rond bachelor-master die door het college aan de raad zijn voorgelegd, kenmerkten zich door overhaastheid. In de angst om achter te blijven bij andere universiteiten, vindt het college het nodig om deze ingrijpende veranderingen in twee jaar in te voeren. Dit moet dan ook nog eens worden gedaan door een universitaire gemeenschap die onder druk staat van kantelingen, clusteringen, verhuizingen en major-minor. De manier waarop deze laatste onderwijsvernieuwing bij het grof vuil wordt gezet omwille van bachelor-master, is bovendien helemaal schunnig. En dan te bedenken dat major-minor twee jaar geleden het paradepaardje van deze universiteit was en de ideale bedpartner van bachelor-master. Kortom, er was alle reden om het college weer terug te sturen om zijn plannen wat beter te overdenken.
De UR was ook in de positie om dit te doen: de plannen waren gebonden aan een strak tijdsschema. Als de raad niet had ingestemd en het college het op een geschil had laten aankomen, zou dit schema ernstige vertraging opgelopen hebben. Als het college de plannen vrijwillig had teruggenomen, had dit hetzelfde effect gehad. Was het college bij een geschil gewoon doorgegaan met de plannen (zoals Van Vught zo dapper beweerde in dit blad), kon de raad hem met het wetboek in de hand terugslaan naar zijn kantoor: in de MUB staat keurig dat bij een geschil het afgekeurde voorstel de ijskast in verdwijnt tot de geschillencommissie een uitspraak heeftgedaan.
Maakte de UR gebruik van deze positie? Aanvankelijk leek dit inderdaad het geval: er werd niet ingestemd met de invoering van bachelor-master. De redenen waren weliswaar anders dan degene die ik eerder aandroeg, maar het netto resultaat was hetzelfde. Toen van Vught echter verkondigde dat het dan een geschil werd, verdween de moed van de raad als sneeuw voor de zon. Een geschil, dat was niet de bedoeling. Het 'nee, tenzij' werd snel veranderd in een 'ja, maar' en het college kon ongestoord verder over de universitaire gemeenschap heen walsen.
Met dit soort ruggengraatloze reacties moet de UR niet verwachten dat ze enig respect krijgt van het college. Het is misschien een wat impopulaire boodschap in deze tijden van overlegstructuren en poldermodellen, maar de UR moet eens wat meer van zich afbijten. Een geschil is daarbij wat mij betreft geen vies woord. Een dergelijke agressievere houding is in de ogen van veel mensen weinig constructief. Ik roep de raad echter niet op om over iedere verfbeurt van het BB-gebouw meteen een geschil aan te spannen. Maar uit zijn eigen memo blijkt dat er in het verleden genoeg grote redenen zijn geweest en die zullen er in de toekomst ook zeker nog komen. Bovendien heeft het slikken van een autoritaire bestuursstijl niets met constructieve samenwerking te maken. De UR heeft dan ook het recht, nee, de plicht om af en toe een streep te trekken. Ik hoop daarom dat de Universiteitsraad af en toe de vinger van de pols zal halen om de hand op te heffen.