Helemaal nieuw voor de masterstudent Business Administration was het zweefvliegen niet, hij kreeg de vliegende liefde met de paplepel ingegoten. ‘Mijn opa was in zijn werkzame leven KLM-piloot. Er waren al foto’s van mijn grootvader en vader, en van mijn vader en mij in de maxi-cosi in een zweefvliegtuig. Onlangs nam ik mijn opa mee op een vlucht en maakten we het drieluik compleet.’
![]()
Het drieluik: Vader met opa, vader met Chris, Chris met opa.
Verenigingsleven
Hij is wekelijks met zijn hobby bezig. ‘Het is niet alleen vliegen hoor. Je helpt ook anderen de lucht in door de lier te bedienen en materialen van en naar het veld te brengen. Je zit alleen of met z’n tweeën in de cockpit, maar voor je in de lucht zit ben je altijd afhankelijk van hulp van medeleden.’
De Twentsche Zweefvlieg Club is een burgervereniging. Studenten zijn er nauwelijks. En dat terwijl de contributie volgens Van den Heuvel meevalt. ‘Afhankelijk van je leeftijd kom je maximaal op zo’n dertienhonderd euro per jaar uit. Daar zit alles bij in: opleiding, vlieghulp, verzekeringen, gezelligheid en gebruik van een hele vloot vliegtuigen. Je moet er alleen wel wat voor terugdoen, maar dat hoort bij het verenigingsleven.’
Wat hij ook erg waardeert is het contact met niet-studenten. ‘De campus is toch wel een bubbel. Bij deze vereniging werk je samen met mensen met allerlei achtergronden en alle leeftijden.’
Continu bijsturen
Als hij zo vlieggek is, waarom doet hij dan geen pilotenopleiding? ‘Ik heb het overwogen, maar vliegen in een gemotoriseerd vliegtuig vind ik minder spannend. Je stijgt op, je zet hem op een vaste snelheid en dan heb je er eigenlijk nauwelijks werk meer mee. Bij een zweefvliegtuig ben je continu aan het bijsturen, het weer aan het monitoren en nadenken over je koers.’
Een zweefvliegtuig besturen is het moeilijkste niet, weet Van den Heuvel: ‘Door de neus naar beneden te duwen maak je snelheid, maar daal je ook. Trek je hem op dan stijg je weer, maar verlies je ook snelheid. Je kijkt de hele tijd naar hoeveel meter je stijgt of daalt in de lucht waarin je vliegt. Eigenlijk is het heel langzaam vallen.’
Sterke maag
Hij legt uit dat een zweefvliegtuig afhankelijk is van de stijgende luchtstromingen, thermiek. ‘Je moet goed op het weer letten. Je zoekt bijvoorbeeld schapenwolken op, daar kun je aan zien waar de warmere en daardoor stijgende luchtstroom zit. Als je in zo’n luchtbel vliegt, kun je gaan cirkelen en dan opstijgen. Daar moet je wel een sterke maag voor hebben, want je kunt zo een kwartier lang naar links of rechts hangen.’ Op die manier maakte hij onlangs zijn langste vlucht ooit: ‘Helemaal naar Drachten heen en terug. Magisch.’
Maar zoveel geluk heeft de student niet altijd. ‘Als het weer tegenzit en er niet genoeg opwaartse luchtstromen te vinden zijn, moet je af en toe een noodlanding maken in een weiland. Eerst kijken of het weiland lang genoeg is en of er geen koeien in lopen en dan maar laten zakken. Daar zijn boeren niet altijd blij mee, maar het is niet anders.’
Veiligheid
Bang aangelegd is Van den Heuvel niet, maar hij is wel continu bezig met zijn veiligheid. ‘Er kan weinig gebeuren als je oplet en alle checks doorloopt. Alle ongelukken van de afgelopen jaren zijn een opeenstapeling van menselijke fouten of nalatigheid.’ Verwonderlijk is het dus niet dat hij bij de vereniging in de veiligheidscommissie zit.
Hij droomt ervan om ooit nog eens in een Alpenland te vliegen. ‘Tussen de bergen heb je weer hele andere thermiek. En het uitzicht is natuurlijk fenomenaal.’