De Rekenkamer, die de handel en wandel van overheidsinstanties controleert, onderzocht van vier universiteiten en zes hogescholen hoe zij hun geld beheren. Ze wil niet zeggen om welke instellingen het gaat. De conclusies zijn hard: slechts één instelling scoort op alle punten een voldoende.
Vooral het toezicht op de marktactiviteiten schiet volgens de Rekenkamer tekort. Bij zes van de tien onderzochte instellingen was niet vast te stellen of geen overheidsgeld voor commerciële activiteiten wordt gebruikt.
Ook de kwaliteit van de financiële verslagen liet te wensen over. Weliswaar voldoen die bij alle instellingen aan de wettelijke normen, maar naar de smaak van de Rekenkamer mag er meer worden verwacht. Zo willen de onderzoekers kunnen vaststellen of de geleverde prestaties van de instellingen in redelijke verhouding staan tot hun uitgaven.
De universiteiten wijzen de kritiek van de hand. Volgens hun brancheorganisatie VSNU is het niet redelijk aan onderwijsinstellingen dezelfde eisen te stellen als aan het bedrijfsleven. Een directe relatie tussen uitgaven en resultaten is moeilijk te leggen, vinden zij. Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek levert vaak pas na vele jaren iets op. Bovendien bestaat geen direct verband tussen de rijksbijdrage aan de universiteiten en het aantal afgestudeerden.
Dat de scheiding tussen publiek en privaat geld bij de universiteiten niet goed geregeld is, wil de VSNU wel erkennen. Maar dat ligt niet aan hen: een wetsvoorstel waarin gedragsregels voor marktactiviteiten van het onderwijs worden opgesteld is al zes jaar in behandeling.