Van:College van bestuur
Aan:Alle leden van de universitaire gemeenschap
Onderwerp:HARTSLAG, onze visie op onderwijs en onderzoek
10 mei 2001
Hartslag
In ons vorig memo Hartslag, onze beleidsvisie hebben we aangegeven dat onderwijs en onderzoek bepalend zijn voor de toekomst van de Universiteit Twente. De ondersteuning hoort hieraan dienstbaar te zijn. Onderwijs en onderzoek vormen het academisch hart van onze universiteit. We beloofden u onze ideeën, voorstellen en vragen met betrekking tot de beleidsvisie begin mei aan u voor te leggen. Ook waar het de argumenten voor een model van Schools en Institutes betreft.
In dit memo gaan we dieper in op de veranderingen in de samenleving, met name waar het de productie en overdracht van kennis betreft. Bovendien schetsen we in algemene zin de consequenties die dat naar onze mening voor de organisatie van het onderwijs en onderzoek aan de UT zou kunnen hebben. Onze visie op de precieze vormgeving van de academische organisatie zullen wij binnen afzienbare tijd aan u presenteren. Ook die opvattingen willen we vervolgens graag in samenhang met de beleidsvisie en onze gedachten over onderwijs en onderzoek met u bespreken. Want alleen door onze academische organisatie samen vorm te geven, kunnen we een aantrekkelijke, innovatieve en uitdagende omgeving voor creatieve mensen creëren.
Kennissamenleving
In de huidige kennisintensieve samenleving hebben universiteiten geen monopolie meer op de productie en overdracht van kennis. Bedrijven, overheidsinstanties, denktanks, onderzoeksinstituten en adviesbureaus initiëren en genereren net zo goed wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. In plaats van de relatief stabiele wetenschappelijke disciplines - hét kenmerk van de klassieke universiteit - zijn het nu kennisnetwerken waarbinnen kennis wordt geproduceerd en overgedragen.
Daar komt nog bij dat de actoren in die netwerken te maken hebben met een door de informatie- en communicatietechnologie versterkte dynamiek. Universitaire onderzoeksgroepen, onderzoeksinstituten en andere spelers op de kennismarkt kunnen niet meer uitgaan van gevestigde posities. Ze moeten actief zijn in het aangaan, onderhouden en afbouwen van deelname aan relevante kennisnetwerken.
Moderne wetenschappers organiseren samen met partners van binnen en buiten de academische gemeenschap hun probleemoplossend vermogen rond specifieke toepassingen. Dat heeft als gevolg dat er geen kennis tot stand kan komen als niet de belangen van de bij de kennisproductie betrokken actoren worden ingesloten.
Als we praten over specifieke toepassingen bedoelen we overigens niet alleen de commerciële productontwikkeling voor de industrie. Kennisproductie is tegenwoordig weliswaar de uitkomst van een proces waarin sprake is van vraag en aanbod, maar tegelijk zijn de bronnen waaruit vragen ontstaan buitengewoon divers en wordt de gespecialiseerde kennis ook uitermate gedifferentieerd aangeboden. Kennis is sociaal gedistribueerd.
De wetenschapssocioloog Michael Gibbons plaatst de veranderde vorm van kennisproductie in de context van de opkomst van wat hij een 'Mode 2 maatschappij' noemt, waarin heterogene kennisnetwerken centraal staan. Ditbetekent in de eerste plaats de opkomst van evoluerende netwerken die het proces van kennisproductie en kennisoverdracht sturen. Dergelijke netwerken worden niet van tevoren opgezet, maar ontwikkelen zich gedurende het proces van kennisproductie en kennisoverdracht. Bovendien worden onderzoekers of onderzoeksgroepen snel en gemakkelijk in die kennisnetwerken opgenomen of buitengesloten, al naar gelang ze een zinvolle bijdrage aan de kennisproductie of kennisoverdracht kunnen leveren (Zie ook Castells, The rise of the networksociety).
Daarnaast worden empirische en theoretische resultaten in eerste instantie gedeeld met de actoren die in het netwerk participeren. Dit in tegenstelling tot traditionele zogenaamde Mode 1 wetenschapspraktijken, waarin communicatie van resultaten plaatsvindt door de institutionele kanalen van de discipline. In Mode 2 contexten verspreiden onderzoekers kennis niet pas na afloop van, maar gedurende het proces van kennisproductie.
De kwaliteit van die kennis kan dan ook niet meer alleen aan de hand van de in de discipline geldende criteria beoordeeld worden. Peer review alleen voldoet niet meer. Andere vormen van kwaliteitsbeoordeling ontleend aan andere publieke en private settings zijn ook van belang.
Tenslotte is multidisciplinaire kennisproductie dynamisch. "It is problem solving capability on the move." Bepaalde kennis kan het cognitieve startpunt van verdere ontwikkelingen zijn. Maar waar die kennis vervolgens gebruikt wordt en hoe ze zich verder ontwikkelt is even moeilijk te voorspellen als de mogelijke toepassingen die voortkomen uit disciplinaire kennisproductie. Net als in Mode 1 stapelen actoren de ene ontdekking boven op de andere, maar in Mode 2 liggen de ontdekkingen buiten de discipline en hoeven de wetenschappers daar ook niet naar terug om de ontdekking te valideren.
De algemene basis van een universiteit is hoogwaardige kennis. Het onderwijs richt zich daarbij op hoogwaardige arbeid. Het onderzoek richt zich op hoogwaardige 'producten' die toepasbaar zijn bij het oplossen van maatschappelijke problemen (Zie ook Hall, Cities in civilization).
Onderzoek aan de UT
De academische professionals van de UT weten al jaren hun weg te vinden in deze dynamische Mode 2 kennisnetwerken. Veel onderzoeksgroepen ontwikkelen zich tot kennisknooppunt. Ze leggen nieuwe verbindingen door studenten, onderzoekers, bedrijven, andere universiteiten en researchinstituten aan elkaar te koppelen. Zo opereren onze academische professionals op wereldschaal, terwijl ze tegelijk samenwerken met regionale en nationale partners waar het de productie en het doorgeven van kennis betreft. Sommige onderzoeksgroepen bepalen zelfs voor een belangrijk deel de onderzoeksagenda's binnen hun vakgebied. Ook dat doen ze door samen te werken met bedrijven, instituten, overheden, councils, granting organisations en andere instellingen, zonder overigens achter het bedrijfsleven of andere partners aan te lopen.
De Universiteit Twente heeft zo een traditie verworven als het gaat om het inspelen op ontwikkelingen in onze kennis- en informatiesamenleving. De academische professionals van de UT zijn uitstekend in staat wetenschappelijke doorbraken en hoogtechnologische ontwikkelingen te vertalen in maatschappelijk relevante toepassingen en bij te dragen aan oplossingen van maatschappelijke kwesties. De huidige Twentse speerpuntprogramma's zijn bijvoorbeeld ontstaan als een combinatie van Mode 1 en Mode 2 activiteiten.
Onderwijs aan de UT
Wat betekenen de maatschappelijke ontwikkelingen die we aan het begin van dit memo schetsten voor de kennisoverdracht aan de UT? Omdat een netwerksamenleving een samenleving is met weinig hiërarchie, veroorzaken desnelle sociale, technologische, economische en politieke veranderingen ook op sociaal niveau een grote dynamiek. Die dynamiek vraagt bijzondere kennis en specifieke vaardigheden van mensen. Op een instrumentele manier: individuen hebben die kennis en vaardigheden nodig om zich in de maatschappij te handhaven. En op een normatieve manier: om in de maatschappij een zinvolle en positieve rol te kunnen vervullen moeten individuen over adequate kennis en vaardigheden beschikken.
Door de sociale ontwikkelingen verandert de onderwijsvraag. Jongeren verwachten onderwijs dat aansluit bij hun specifieke behoeften. Tegelijk neemt de vraag naar continuing professional development (CPD) toe. Het academisch onderwijs kan derhalve niet meer slechts gericht zijn op de reproductie van disciplinaire en professionele gemeenschappen. Er moet op veel meer kennisgerelateerde praktijken ingespeeld worden. Dat maakt een grotere variatie en flexibilisering van het onderwijsaanbod nodig.
Daar komt nog bij dat de mondiale concurrentie tussen hoger onderwijsinstellingen toeneemt. Door die concurrentiestrijd worden universiteiten gedwongen zich te profileren op de onderwijsgebieden waar ze sterk in zijn. Bij het creëren van leermateriaal is synergie met het onderzoek van belang. Alleen op de gespecialiseerde onderzoeksgebieden zal leermateriaal van voldoende niveau gecreëerd kunnen worden om de internationale concurrentie mee aan te gaan.
Door de veranderende vraag naar kennis en vaardigheden is een ander pedagogisch klimaat en een beroep op andere didactische werkvormen onontbeerlijk. ICT geeft nieuwe mogelijkheden tot het delen van informatie en kennis. Dit leidt tot nieuwe vormen van informatievoorziening in leertrajecten en daarmee tot nieuwe vormen van (het aanbieden van) onderwijs.
Door studenten verschillende disciplinaire combinaties aan te bieden (Major-minor), ze multidisciplinaire vaardigheden aan te leren, ze de mogelijkheid te geven internationale programma's te volgen en door het opzetten van doorlopende leerwegen spelen onze opleidingen al voor een deel in op deze ontwikkelingen. De trend die hier is ingezet moeten we volgens ons versterken.
Schools en Institutes
De kracht van de Universiteit Twente ligt volgens ons in generieke kennisproductie en kennisoverdracht, gericht op maatschappelijke toepassingen en het oplossen van problemen. We gebruiken met opzet het woord generiek om de breedheid ten opzichte van specifieke toepassingen aan te geven en om te signaleren dat onze studenten en wetenschappers nieuwe aanpakken kunnen ontwikkelen en zich niet beperken tot het reproduceren van datgene wat hen is aangeleerd.
Om deze kracht uit te kunnen bouwen is het essentieel dat we met ons onderzoek snel kunnen inspelen op de ontwikkelingen in en de vragen uit onze Mode 2 society. Flexibiliteit van de onderzoeksorganisatie, concentratie op multidisciplinaire onderzoeksprogramma's (potentials en speerpunten) met een stevige disciplinaire onderbouw, oriëntatie op de omgeving en het in kennisnetwerken organiseren van configuraties met andere partijen - ook niet-academische - zijn daarbij cruciaal. Alleen zo kunnen we onze huidige onderzoekspositie versterken.
Als het om onderwijs gaat, zijn probleemoriëntatie, conceptuele kaders om onbekende problemen in een complexe omgeving aan te kunnen pakken, multidisciplinaire (vakgebiedoverschrijdende) benaderingen en het oplossen van maatschappelijke problemen essentiële uitgangspunten. De oriëntatie op de omgeving staat zowel bij onderzoek als onderwijs centraal.
Het zal inmiddels duidelijk zijn dat de vragen aan de onderwijskant verschillen van die aan de onderzoekskant. Ook de kwaliteitscriteria voorwetenschappelijk onderwijs zijn anders dan die van wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast moet de samenhang in zowel onderwijs- en onderzoeksprogramma's bewaakt worden en dient flexibiliteit gewaarborgd te blijven. Om recht te doen aan zowel het verschil in vragen en de noodzaak van samenhang is naar ons oordeel de afzonderlijke coördinatie van onderwijs- en onderzoeksprogramma's noodzakelijk.
Daar komt nog bij dat de Universiteit Twente te maken heeft met een nog niet genoemde belangrijke randvoorwaarde. Uit eerdere berichten onzerzijds heeft u al op kunnen maken dat de huidige staat van ons vastgoed flinke investeringen noodzakelijk maakt. Daardoor komt de financiële ruimte die de UT heeft om haar primaire processen aanzienlijk te versterken onder druk te staan. Om toch goed in te kunnen spelen op de genoemde ontwikkelingen in de maatschappij is het noodzakelijke de academische organisatie zo effectief en efficiënt mogelijk in te richten.
Het voorgaande roept de vraag op hoe de Universiteit Twente zichzelf moet profileren en organiseren. Wij denken dat we de noodzakelijke flexibiliteit van de primaire processen, de verhoging van efficiency en effectiviteit van met name de dienstverlening en het creëren van een grotere gevoeligheid voor de ontwikkelingen in kennisnetwerken het best kunnen realiseren door de invoering van het model van Schools en Institutes. Wij hopen dat u de in deze nota geschetste beweegredenen met ons kunt delen.
Bespreektraject
Deze beweegredenen en de precieze invulling willen we graag met u bespreken. We streven daarbij naar participatie uit zoveel mogelijk eenheden van de instelling. Daarom zal de bespreking van Hartslag langs verschillende lijnen verlopen. Vanzelfsprekend willen we intensief gebruik maken van de reguliere kanalen zoals het centrale managementteam, het college van hoogleraren en de universiteitsraad. Daarnaast is er ook een uit verschillende gremia samengestelde klankbordgroep ingesteld. Voor een goed verloop lijkt het ons overigens verstandig om ook ondersteuning te zoeken van een externe partij.
Wij streven er naar om voor de zomer de inhoudelijke discussie over Schools en Institutes af te ronden. Daarna moeten de conclusies het officiële proces van medezeggenschap en advies doorlopen. Voor het eind van het jaar hopen we de definitieve uitwerking aan u te kunnen voorleggen.
Literatuur:
Manuel Castells, The rise of the networksociety, 2000
Helga Nowotny et al, Re-thinking Science, 2001
Peter Hall, Cities in Civilisation, 1998
Anthony Gibbons et al, The new production of knowledge, 1994
![]()