Campusarts en moeder: ook dat laatste is een belangrijke taak voor Cornel. Grote kleurrijke tekeningen hangen aan de boekenkast. 'Van mijn twee oudste kinderen', zegt de moeder vol trots. 'Alleen de jongste kan nog niet tekenen'.
Na haar studie geneeskunde en een korte periode als assistent-neurologie deed ze de huisartsenopleiding om vervolgens op de campus terecht te komen. Ze heeft met de andere campusarts, T. Elzer, een deeltijdaanstelling: één praktijk die je met twee personen runt. Zo'n tweederde van de praktijk bestaat uit studenten, de rest hoofdzakelijk uit medewerkers en oud-medewerkers. 'In de samenstelling van deze praktijk zit het bijzondere. Je hebt studenten die komen en gaan, relatief weinig ouderen, maar ook weer veel buitenlanders met hun eigen taal en cultuur. Daar moet je als arts mee om kunnen gaan. Een cultuurverschil bij de buitenlandse patiënten zie je bijvoorbeeld in de manier van ziektebeleving en in het verwachtingspatroon dat men heeft van een huisarts.'
Een gevolg van de bijzondere praktijksamenstelling is de buitengewone omvang van het patiëntenbestand. 'Wij hebben een praktijk van 3600 mensen, tegenover een standaardgrootte van 2300 in een normpraktijk. Daar gaat op dit moment een discussie over.' Een andere vraag is, weet Cornel, of de UT de campusartsen zal aanhouden. 'Eigenlijk is het een ouderwetse kostendiscussie. Maar het zou heel jammer zijn. Ik ben namelijk erg op deze praktijk gesteld. En wat zou er met mijn patiënten gebeuren? Juist de groep die het wat artsen betreft al wat moeilijker heeft, krijgt er zo een probleem bij: met name voor de studenten met de ingewikkeldere problemen ligt de drempel naar de campusarts veel lager dan een huisarts in de stad.'
![]()