Paul van der Pal, die op een Witbreukswegkamer woont zonder gemeenschappelijke woonruimte, weigerde vanaf 1 januari 1981 de verhoging van de servicekosten met f 18,- te betalen, omdat hij het onterecht vond mee te betalen aan de schoonmaakkosten van een gemeenschappelijke ruimte die hij niet heeft. In de overwegingen van de kantonrechter blijkt hij voor het inhouden van die f 18,- geen grond te hebben. De Huurprijzenwet bepaalt namelijk dat de servicekosten niet de werkelijke kosten van de al dan niet geplaagde schoonmaak hoeven te zijn, maar een 'redelijke vergoeding' die tussen verhuurder en huurder overeengekomen kan worden of door schatting bepaald kan zijn.
Op de THT worden de huurverhogingen overeengekomen tussen het college van bestuur en het Algemeen Huisvestingsbestuur. Dit laatste orgaan treedt op namens alle campushuurders. De kantonrechter zegt in een van zijn overwegingen dat de huurder bij ondertekening van zijn huurcontract zich ermee akkoord verklaart dat het AHB namens hem over de servicekosten overlegt en dat de huurder dus 'niet in redelijkheid en goeder trouw zich erop kan beroepen dat de vaststelling niet op toelaatbare wijze heeft plaatsgevonden'. (...)
In elk geval is volgens de interpretatie van de kantonrechter de Huurprijzenwet in zijn geheel van toepassing op de campus. Daarmee komt een interessant feit aan het licht, namelijk dat de THT nog nooit conform deze wet heeft gehandeld wanneer het ging om huurverhogingen en ook nooit binnen twee maanden om huurprijsvaststelling heeft verzocht. Daarmee ontbreekt in feite de wettelijke verplichting aan alle campushuurders om welke huurverhoging dan ook maar te betalen. (...)